Speech Alexander Rinnooy Kan op Diner Pensant De Rode Loper 26 oktober 2010

Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de SER en voorzitter van de Commissie Leraren


Ik heb in de loop van mijn leven enorm veel gehad met onderwijzers en leraren. In belangrijke mate in Den Haag, ik ben begonnen aan de Duinoordschool aan de Bentinckstraat, een lagere school voor protestants-christelijk onderwijs, daarna aan het eerste VCL. Daarna op een andere manier als hoogleraar, dat is toch in belangrijke mate een veredelde leraar. Achtereenvolgens als ouder en de laatste jaren ook een beetje als adviseur.
Ik sta hier vooral als voorzitter van de commissie die het advies ‘LeerKracht’ maakte. Daar hebben we veel tijd en energie in gestoken, commissielid Annet Kil weet daar alles van. Naar onze overtuiging was dat voortreffelijk bestede tijd, maar uiteindelijk is die conclusie alleen te onderbouwen op basis van wat er in de praktijk mee is gebeurd. We willen echt iets terecht zien komen van de mooie intenties die we hebben verwoord. Wat moet er de komende jaren nog bepleit en gerealiseerd?

Het rapport ‘LeerKracht’ laat zich eigenlijk kort samenvatten in drie grote groepen aanbevelingen. De eerste groep gaat over beloning, ‘het rapport van 1 miljard’, dat is makkelijk. De tweede groep gaat over de professie die we wilden versterken. De derde groep ging over de scholen die een bijdrage moeten leveren aan de oplossing van het kwalitatieve en kwantitatieve lerarenprobleem.
Het is eigenlijk zo dat het eerste hoofdstuk, over geld, de meeste aandacht heeft getrokken. Ik begrijp dat ook wel, maar we vonden dat jammer. Het geld is wel het lastigst op de korte termijn, maar het is maar een onderdeel uit het grote geheel. Als ik had mogen kiezen welk van deze groepen ik het belangrijkst vond, was dat de tweede groep geweest, waar het gaat over de toekomst van de professie. Daarom ben ik blij dat dit vanavond centraal staat.

Vandaag gaat het om de toekomst van de professie, dat is de kern van de opgave. Het lerarentekort is nog substantieel en gaat niet vanzelf weg. Onder alle omstandigheden kan het leraarschap alleen gedijen als de professie zich hergroepeert, zich versterkt en met nieuw elan en met nieuw zelfbewustzijn de toekomst ingaat. De professie, de veerkracht, de stevigheid van de professie, van de gezamenlijkheid van de leraren, het geheel dat meer is dan de som van de delen, die vormen het hart van deze discussie.

We hebben ons in de commissie afgevraagd: redden we het wel? Heeft die professie met alle neerslachtigheid en verzuurdheid, verbitterdheid en teleurstelling, wel de veerkracht om een nieuwe start te maken, nieuwe energie te vinden? We dachten: waarschijnlijk wel. Het wordt een hele hijs hier en daar, maar er is eigenlijk geen alternatief, en we moeten proberen in dit rapport een basis te leggen voor zo’n revival. En eerlijk gezegd heb ik de indruk dat het meevalt, dat die revival op veel plekken waarneembaar is – ik hoop ook diep en breed in Den Haag.

In het tweede hoofdstuk hebben we een aantal ideeën neergelegd, om te bevorderen dat de professie zichzelf zou kunnen hervinden. Het meest succesvolle idee – misschien wel van het hele rapport – was de lerarenbeurs. Die gaat uit van de gedachte dat het leraren die zichzelf willen ontwikkelen, aan alle kanten gemakkelijk gemaakt moet worden. Dat moest ook z’n vertaling vinden in hoofdstuk 1, de beloning, maar dat is niet helemaal gelukt, en toch ook weer niet helemaal níet.
Belangrijk is in ieder geval dat die faciliteit er kwam. In Nederland meet je succes af aan budgettair beslag. Wat dat betreft was het een succes: ik meen dat het drie keer zoveel geld heeft gekost dan voorzien en dat vonden we goed nieuws. Die lerarenbeurs staat voor een wezenlijk ingrediënt van de professionele kenmerken.
We hebben in het rapport ook gesproken over de noodzaak van de professie om zich te organiseren. In de eerste plaats: iedereen die met onderwijs te maken heeft: leraren, docenten, onderwijzers, die eenzelfde vak doceren, in eenzelfde regio, in hetzelfde soort onderwijs, of een combinatie van alle drie. Het is essentieel dat ze elkaar vinden, tegenkomen en elkaar iets kunnen vertellen over hoe het gaat.
In het rapport hebben we ook gesproken over registratie als onderdeel van de professionalisering. En en passant ook gezegd: er moet een Stichting van het Onderwijs komen, want in Nederland is het raar dat er geen plek is waar werkgevers, werknemers en overheid die met het onderwijs te maken hebben elkaar tegenkomen. Die Stichting is er inmiddels ook.
Je kunt je suf bedenken in zo’n rapport – papier is geduldig – er zijn misschien nog wel andere ideeën ook. Echter: uiteindelijk gaat het niet om al die ideeën, maar om het achterliggende doel. Dat is dit: het kan alleen maar goed en beter gaan met het onderwijs in Nederland als docenten elkaar weer vinden, als ze inderdaad als professie gaan functioneren, veel meer dan nu. Er moet in eerste instantie iets zijn dat leraren met elkaar verbindt, dwars door scholen, een gevoel van gezamenlijke betrokkenheid, gezamenlijke verantwoordelijkheid, van verbondenheid. Het idee moet leven dat hun geheel meer moet zijn dan de som van alle individuele delen, dat ieder een gezamenlijke verantwoordelijkheid heeft voor het vak, in welke zin dan ook.
En dat betekent in laatste instantie: dat je aan de ene kant gaat functioneren als een professie in deze brede zin, als een sterke professie, en dat je er aan de andere kant rechten aan ontleent, als je iets voor elkaar krijgt.
Een professie die zich goed organiseert mag vervolgens ook betrokkenheid claimen bij de inrichting van hun vak. Die combinatie: goed functioneren en rechten opeisen, is de kern van de zaak.
De verbondenheid staat voorop, dat zie je ook bij advocaten en accountants. ‘Ik ben leraar, ik heb te maken met mijn collega’s op school, en ik heb bijna net zoveel te maken met collega’s drie of vier scholen verderop. We horen er allemaal bij, we hebben elkaar allemaal iets te vertellen. Al onze leerlingen verschillen, maar we hebben voldoende gemeenschappelijk om iets aan elkaar te hebben. Als resultaat daarvan kunnen we die gezamenlijke verantwoordelijkheid voor ons vakgebied of ons schoolteam effectief nemen.

Daar hoort ook het gevoel bij dat waar je mee bezig bent, zich voortdurend ontwikkelt. In een interessante professie is nooit stilstand, er is altijd iets aan de hand, of in ieder geval: de kennis breidt zich uit. Ook de manier waarop kennis overgedragen wordt, verandert; nieuwe ideeën komen naar binnen. Ik kreeg een mooie voordracht toegestuurd van de internationale onderwijsexpert mijnheer Robinson, die nog eens uitlegde dat de uitgangspunten van ons onderwijsstelsel ten diepste 19e eeuws en royaal achterhaald zijn. Dat het een vrij ouderwets idee is om onderwijs in te richten volgens vakgebieden en ervoor te zorgen dat iedereen in elk van die vakgebieden een beetje goed is, en dat je eigenlijk miskent dat het vandaag de dag nodig is om effectief met de kennis die we gezamenlijk hebben de problemen die we inmiddels ook gezamenlijk hebben te lijf te gaan. U hoeft het daar niet mee eens te zijn, maar een echte professional schrikt niet van zo’n toespraak. Die vindt het interessant, wil er meer over weten, en wil uiteindelijk een eigen, zelfstandig professioneel oordeel vellen over de vraag of dat onzin is of niet. Dat hoort er dus allemaal bij: groei in kennis en in de manier waarop kennis wordt overgedragen, want dat is uiteindelijk waar onderwijs over gaat.

Omdat er groei zit in een vakgebied, veranderen mensen mee. Professionals willen deel uitmaken van zo’n veranderingsproces, willen er zelf bijhoren, willen zelf meeleren voordat ze op hun beurt bezig kunnen met aanleren. Dat is de kern van een aantal aanbevelingen, want u herkent waarschijnlijk al die ingrediënten waarmee we kwamen: lerarenbeurzen, verenigingen/registratie om leden te identificeren, zodat je van elkaar kunt leren. Die mix is heel essentieel. Dan is er uiteindelijk in een professie de bereidheid om met elkaar samen te doen. Dat je als oudere collega ook jongere collega’s helpt, en omgekeerd naar hem of haar luistert. Want een nieuw of fris idee komt vaak van buiten, via jonge toetreders die eigenwijze opvattingen hebben. Soms is zo’n idee onzin, maar soms ook buitengewoon leerzaam. Dat veranderingsproces is kenmerkend voor waar de professies voor staan.

Als dat dan lukt op veel plekken, dan heb je dan een claim. Dan kun je met recht en reden zeggen: we willen zelf gekend en gehoord worden, een eigen verantwoordelijkheid nemen bij de inrichting van het onderwijs.
Natuurlijk zal er zoiets zijn van: de samenleving verlangt iets van ons, er zijn eindtermen of iets dat iedereen aan het eind van de rit moet weten, maar wij als professionals hebben eigen opvattingen, we brengen een eigen deskundigheid in over hoe dat het beste kan. Wij eisen nu ook de ruimte en het recht om daar gezaghebbend over mee te spreken. ‘

Een van onze grote verbazingen als commissie was dat leraren vonden dat er teveel over hen en zonder hen werd gesproken. Ik vond dat eigenlijk onbegrijpelijk: Nederland is een medezeggenschapsparadijs. Iedereen die een mening ergens over heeft in dit land, wordt gehoord. Binnen een professie die er bij uitstek erop gespitst is om mee te praten en te denken, en die ook het recht heeft daar iets aan doen, daar is eigenlijk het gevoel ondenkbaar: het gaat over ons, maar we worden niet gehoord en we mogen niet meedoen. Eigenlijk was dat het zorgwekkendste thema!
Ik hoop dat het intussen veranderd is, en voor zover nog niet: ga het veranderen. Het zal alleen maar lukken als jullie het allemaal willen, als collega’s er ook serieus tijd en energie in investeren.
De beloning aan het eind van de rit is buitengewoon hoog. Als het professionele klimaat wordt gerecreëerd zoals het zou moeten zijn, betekent dat in termen van arbeidsvreugde, efficiency en effectiviteit heel veel. Waar het in laatste instantie toch om gaat is dat het betere onderwijs dat Nederland de komende 10, 20, 30 of 40 jaar buitengewoon hard nodig heeft. Daar zullen we ook de komende jaren ons best voor moeten doen. Het kan denk ik alleen maar langs deze lijnen. Ik hoop dus dat u zich aangesproken voelt door de doelstelling!

Actueel

<!-- kop rechterkolom -->

banner opleidingsschool haaglanden

14 mei 2012
24 leraren die op tijd een Haagse Lerarenbeurs aanvroegen maar achter het net visten, zijn alsnog blij gemaakt door wethouder Ingrid van Engelshoven... Lees verder...
23 april 2012
Het Haags LerarenCafé was op donderdag 19 april te gast bij het Veurs Lyceum in Leidschendam. Met een glas in de ene hand en een hapje in de andere... Lees verder...